Sunset /Sunset

 

 

Enkele gedachten bij het residentieproject van Stijn Cole

Na Jan De Cock, Philippe Van Den Berg en Raoul De Keyser is Stijn Cole de vierde kunstenaar die resideert in het Museum voor Schone Kunsten. Het is een aantrekkelijke, maar moeilijke residentieplek. Het gevaar om, als jonge hedendaagse kunstenaar, de confrontatie aan te gaan met illustere en minder illustere maar niettemin geconsacreerde voorgangers, loert voortdurend om de hoek. Ook de sublieme architecturale context vormt voor elke kunstenaar een niet te onderschatten uitdaging. Stijn Cole is er echter niet alleen in geslaagd om als beeldend kunstenaar “overeind” te blijven, maar om bovendien het MSK op te laden met de potentie om ook de collectie met een nieuwe, hedendaagse blik te benaderen.

Een klassieke museale benadering van een kunstwerk bestaat, eenvoudig gesteld, in een juxtapositie van de toeschouwer en het kunstwerk. De kijker staat voor het schilderij, of wandelt rond het beeld, dat op de een of andere manier een werkelijkheid representeert. De blik van de kijker is – vaak letterlijk – begrensd door het kader van het schilderij of de contouren van de sculptuur. Het smaakoordeel wordt vooral bepaald door de mate waarin we erin slagen om het kunstwerk te decoderen en aftoetsen aan een, door de individuele culturele context bepaald, verwachtingspatroon. De opstelling in verschillende museumzalen wordt grotendeels bepaald door de intersubjectieve consensus die haar directe neerslag vindt in de (kunst)geschiedschrijving.

De installaties van Stijn Cole op een dergelijke manier benaderen – hoe legitiem die methode ook moge zijn – is weinig zinvol en kan onmogelijk verder leiden dan een oppervlakkige appreciatie of depreciatie van het kunstwerk, dat al dan niet toevallig, een herkenbare, in de klassieke artistieke conventies ingeschreven, vorm aangenomen heeft.

Ondanks die eerste uiterlijke verschijningsvorm schrijft het werk van Cole zich in, in de traditie van de installatiekunst die in de jaren 1960 ontstond. Cruciaal hierin is dat de volledige ruimte als dragend en compositorisch element een rol speelt. De door de kunstenaar toegevoegde objecten staan niet op zich maar maken deel uit van een grotere installatie. Het kunstwerk is niet langer begrensd door haar eigen materiële verschijningsvorm. Tegelijk gaat het werk van Cole verder dan het toevoegen van elementen die – in de traditie van het minimalisme – de ruimte en de context betekenis geven. In zijn tekst voor de tentoonstellingscatalogus Dream Extensions, die in 2004 doorging in het S.M.A.K., vergeleek curator Filip Luyckx die evolutie met het bezoek aan een gotische kathedraal: Als bezoeker stippel je zelf binnen de gegeven structuur je route uit. Onze gezichtspunten kunnen overvloedig wisselen en daarvoor worden we met telkens een andere aanblik beloond. Dat is niet louter een architectonische ervaring, want portaalsculpturen en brandramen maken integraal deel uit van de totaalbeleving. Het uitzicht varieert volgens het invallende licht. De andere rondwandelende bezoekers verschijnen willekeurig in ons blikveld. Lichtinval en bezoekers ontsnappen aan een al te strakke beeldregie. Het vrij bewegend waarnemen van een natuurlijk, stedelijk of artistiek landschap geldt als een van de ingrijpende ervaringen in een mensenleven. We botsen er op de autonomie en onvoorspelbaarheid van het leven zelf. Een afgesloten waarnemingsveld wordt in ruimte en tijd opengebroken. Betekenis wordt met andere woorden enkel gegenereerd door het samenspel van de totale ruimtelijke context met de positie van de kijkers. De kijker wordt op die manier niet alleen geconfronteerd met een steeds veranderende werkelijkheid, maar krijgt bovendien, altijd slecht een deel te zien. Het is onmogelijk geworden om de hele installatie in één enkele blik te aanschouwen. De kijker is niet langer enkel kijker maar wordt bezoeker. De klemtoon verschuift – en dit wordt mede mogelijk gemaakt doordat Cole bijvoorbeeld in zijn landschappen wel duidelijk refereert aan de historische stukken uit de collectie maar op een radicale manier alle herkenbare culturele elementen weglaat – van het kijken naar het beleven.           En net zoals de gotische kathedralen de gelovige in aanraking moest brengen met het goddelijke en onaardse, herstelt de kunstenaar hier de band tussen wat binnen de muren van het museum gebeurd en de fascinerende maar steeds complexer wordende buitenwereld. Stijn Cole bewijst met zijn residentieproject niet alleen dat het mogelijk is om via oude kunst op een andere manier naar het hedendaagse te kijken, maar vooral dat hedendaagse kunst erin kan slagen om het collectieve erfgoed uit het verleden, dat terecht geconsacreerd wordt in onze musea, op een zinvolle manier bevrijdt kan worden uit het karkas van de kunstgeschiedenis. Cole combineert de verschillende tradities waarin zijn werk geworteld is en lijkt een subtiele ontwrichting en ontvoogding van de blik en de museale ervaring te beogen. Hij reikt een methode aan om van het museumbezoek een totaalervaring te maken, waarbij zowel recht gedaan wordt aan de intellectuele en artistieke erfenis van de plek als aan een complexe esthetische beleving van niet alleen de kunstwerken maar ook van de realiteit die ze (opnieuw) kunnen representeren.

 

Rolf QUAGHEBUER Augustus 2010

 

   Stijn Cole

 

WORKS    EXPO'S   TEXTS     PRESS    BIO    CONTACT

 

Sunset /Sunset

 

 

Enkele gedachten bij het residentieproject van Stijn Cole

Na Jan De Cock, Philippe Van Den Berg en Raoul De Keyser is Stijn Cole de vierde kunstenaar die resideert in het Museum voor Schone Kunsten. Het is een aantrekkelijke, maar moeilijke residentieplek. Het gevaar om, als jonge hedendaagse kunstenaar, de confrontatie aan te gaan met illustere en minder illustere maar niettemin geconsacreerde voorgangers, loert voortdurend om de hoek. Ook de sublieme architecturale context vormt voor elke kunstenaar een niet te onderschatten uitdaging. Stijn Cole is er echter niet alleen in geslaagd om als beeldend kunstenaar “overeind” te blijven, maar om bovendien het MSK op te laden met de potentie om ook de collectie met een nieuwe, hedendaagse blik te benaderen.

Een klassieke museale benadering van een kunstwerk bestaat, eenvoudig gesteld, in een juxtapositie van de toeschouwer en het kunstwerk. De kijker staat voor het schilderij, of wandelt rond het beeld, dat op de een of andere manier een werkelijkheid representeert. De blik van de kijker is – vaak letterlijk – begrensd door het kader van het schilderij of de contouren van de sculptuur. Het smaakoordeel wordt vooral bepaald door de mate waarin we erin slagen om het kunstwerk te decoderen en aftoetsen aan een, door de individuele culturele context bepaald, verwachtingspatroon. De opstelling in verschillende museumzalen wordt grotendeels bepaald door de intersubjectieve consensus die haar directe neerslag vindt in de (kunst)geschiedschrijving.

De installaties van Stijn Cole op een dergelijke manier benaderen – hoe legitiem die methode ook moge zijn – is weinig zinvol en kan onmogelijk verder leiden dan een oppervlakkige appreciatie of depreciatie van het kunstwerk, dat al dan niet toevallig, een herkenbare, in de klassieke artistieke conventies ingeschreven, vorm aangenomen heeft.

Ondanks die eerste uiterlijke verschijningsvorm schrijft het werk van Cole zich in, in de traditie van de installatiekunst die in de jaren 1960 ontstond. Cruciaal hierin is dat de volledige ruimte als dragend en compositorisch element een rol speelt. De door de kunstenaar toegevoegde objecten staan niet op zich maar maken deel uit van een grotere installatie. Het kunstwerk is niet langer begrensd door haar eigen materiële verschijningsvorm. Tegelijk gaat het werk van Cole verder dan het toevoegen van elementen die – in de traditie van het minimalisme – de ruimte en de context betekenis geven. In zijn tekst voor de tentoonstellingscatalogus Dream Extensions, die in 2004 doorging in het S.M.A.K., vergeleek curator Filip Luyckx die evolutie met het bezoek aan een gotische kathedraal: Als bezoeker stippel je zelf binnen de gegeven structuur je route uit. Onze gezichtspunten kunnen overvloedig wisselen en daarvoor worden we met telkens een andere aanblik beloond. Dat is niet louter een architectonische ervaring, want portaalsculpturen en brandramen maken integraal deel uit van de totaalbeleving. Het uitzicht varieert volgens het invallende licht. De andere rondwandelende bezoekers verschijnen willekeurig in ons blikveld. Lichtinval en bezoekers ontsnappen aan een al te strakke beeldregie. Het vrij bewegend waarnemen van een natuurlijk, stedelijk of artistiek landschap geldt als een van de ingrijpende ervaringen in een mensenleven. We botsen er op de autonomie en onvoorspelbaarheid van het leven zelf. Een afgesloten waarnemingsveld wordt in ruimte en tijd opengebroken. Betekenis wordt met andere woorden enkel gegenereerd door het samenspel van de totale ruimtelijke context met de positie van de kijkers. De kijker wordt op die manier niet alleen geconfronteerd met een steeds veranderende werkelijkheid, maar krijgt bovendien, altijd slecht een deel te zien. Het is onmogelijk geworden om de hele installatie in één enkele blik te aanschouwen. De kijker is niet langer enkel kijker maar wordt bezoeker. De klemtoon verschuift – en dit wordt mede mogelijk gemaakt doordat Cole bijvoorbeeld in zijn landschappen wel duidelijk refereert aan de historische stukken uit de collectie maar op een radicale manier alle herkenbare culturele elementen weglaat – van het kijken naar het beleven.           En net zoals de gotische kathedralen de gelovige in aanraking moest brengen met het goddelijke en onaardse, herstelt de kunstenaar hier de band tussen wat binnen de muren van het museum gebeurd en de fascinerende maar steeds complexer wordende buitenwereld. Stijn Cole bewijst met zijn residentieproject niet alleen dat het mogelijk is om via oude kunst op een andere manier naar het hedendaagse te kijken, maar vooral dat hedendaagse kunst erin kan slagen om het collectieve erfgoed uit het verleden, dat terecht geconsacreerd wordt in onze musea, op een zinvolle manier bevrijdt kan worden uit het karkas van de kunstgeschiedenis. Cole combineert de verschillende tradities waarin zijn werk geworteld is en lijkt een subtiele ontwrichting en ontvoogding van de blik en de museale ervaring te beogen. Hij reikt een methode aan om van het museumbezoek een totaalervaring te maken, waarbij zowel recht gedaan wordt aan de intellectuele en artistieke erfenis van de plek als aan een complexe esthetische beleving van niet alleen de kunstwerken maar ook van de realiteit die ze (opnieuw) kunnen representeren.

 

Rolf QUAGHEBUER Augustus 2010