Gesprek tussen Philippe Van Cauteren en Stijn Cole

Kasteel van Chimay 3 mei 2017

 

Philippe: We zijn op dit moment in het kasteel van Chimay, een plek die eigenlijk is van de plek waar jij woont en waar je eigenlijk zeg maar niet alleen het kasteel maar ook het landschap omarmd hebt, het landschap wat het startpunt, het kernpunt van uw werk, wat is precies dat wat jou in het landschap fascineert?

 

Stijn: Het landschap is steeds in beweging en blijft daardoor steeds interessant. Het is ook het onderwerp waarbij iedereen zich iets kan voorstellen, mensen gaan op vakantie omwille van het landschap. Er zit ook een sterk subjectief karakter aan het onderwerp, het landschap is voor iedereen verschillend, ieder maakt zijn eigen landschap. Ik kan na 6 jaar nog elke morgen gefascineerd naar mijn tuin kijken en als ik in functie van bepaalde werken reis dan gaat er weer een compleet ander pallet open. Het aspect tijd zit er ook in verschillende lagen doorgeweven, van minuut tot minuut veranderen de kleuren, de seizoenen kennen een trager ritme, bomen vertellen een geschiedenis van honderd jaren, het landschap zelf dat van nog veel langer.

 

Philippe: Je zegt zelf dat het de toeschouwer is die het landschap maakt, het is eigenlijk de toeschouwer die het landschap heeft uitgevonden, de kunstenaar. In deze tentoonstelling die 1:1 heet ga je heel specifiek in op de relatie van u als kunstenaar tegenover het landschap en ook op de relatie van jou met de toeschouwer. Dat begint met de vlag die je gemaakt hebt maar het gaat verder naar heel specifieke plekken die je genomen hebt uit het park of uit deze omgeving. Kan je misschien iets vertellen over de veelheid aan media die je hier gebruikt, je beperkt je niet tot tekeningen of tot fotografie, het merkwaardige is dat jij het landschap, dat we uit de kunstgeschiedenis kennen als iets dat vooral schilderkunstig benaderd is probeer jij bijna uit te rafelen naar andere artistieke middelen.

 

Stijn: Ik vertrek altijd vanuit een idee. Op dat moment ligt het medium waarin ik dat idee vorm wil geven meestal nog open. Soms gaat het er omgekeerd aan toe, bij de schilderijen bijvoorbeeld zocht ik al lang naar een reden om te schilderen. De Colorscapes lagen al een hele tijd als fotoprint in de schuif maar ze misten een tactiliteit die ze interessant kon maken. Het concept van de tekeningen wou ik in eerste instantie fotografisch uitwerken maar ik merkte al snel dat gewone volle beelden zoals Thomas Struth ze bijvoorbeeld maakt me niet aantrokken, letterlijk dan. Door ze te tekenen haal ik me heel wat werk op de hals maar lukt het ook om een toeschouwer dichterbij te krijgen. De nieuwste piste is die met de sculpturen die eigenlijk letterlijke afgietsels zijn van het landschap. Door de jaren heen ben ik nieuwe pistes en materialen gaan toevoegen. Eerst was mijn werk uitsluitend abstract maar nu dus ook figuratief en al deze elementen zorgen er denk ik voor dat mijn werken een complexe gelaagdheid krijgen.

 

Je verwijst vaak naar de kunstgeschiedenis, enerzijds zeg je dat je een soort erfgenaam bent van een conceptuele traditie, vandaar het gebruik van tijd, het omgaan met tijd. Maar anderzijds is er ook een directe link met de klassieke kunstgeschiedenis. Ik herinner me nog dat we jaren geleden samen werkten aan een project wat dan uiteindelijk tot je Artist in résidence-project geleid heeft in het Museum voor Schone Kunsten in Gent en waar je heel duidelijk een relatie bent aangegaan met 19de eeuwse andere landschapsschilders. En ook in deze tentoonstelling maak je een link met een abstracte schilder, Marthe Wéry die blijkbaar ook in deze regio actief geweest is. Waar komt je fascinatie naar voor voor Marthe Wéry en specifiek voor dit werk.

 

S. Nog voor jij directeur was in het SMAK kocht ik er, ik was nog student, af en toe een multiple. Ik sprong geregeld bij de vrienden binnen en op een keer werd er een laatste exemplaar van de multiple Soixante journées d’été van Marthe Wéry aangeboden. Die was ergens opgedoken onderaan een schuif. Sindsdien ben ik het werk van Marthe Wéry gaan volgen, zij het van op een afstand. Een tijd geleden vernam ik dan dat ze hier woonde in de periode dat ze het werk maakte, ik bezocht haar atelier ontmoette haar dochter en besloot iets te doen met het 40 jarige jubileum van het werk. Ik vind haar werk zo bijzonder omdat ze volgens mij van haar generatiegenoten zoals Dan Van Severen en Raoul de Keyser degene is die het meest aanleunt bij de minimal art. Haar werken staan in relatie met de ruimte, ze liggen bijvoorbeeld op de grond of de composities aan de muur worden aangepast. Maar er blijft steeds een menselijke toets, iets fragiels in aanwezig. Wat het werk 60 journées betreft, daaraan is er nog een tijdsaspect gekoppeld waardoor ik ervoor koos.

 

PH. Een ander hommage of iets wat ook direct met de kunstgeschiedenis te maken heeft en die een kunstenaar is die onmiddellijk met het landschap verbonden wordt door zijn obsessieve, herhaaldelijk schilderen van één en dezelfde plek is natuurlijk Paul Cézanne en met de twee werken die jij hier toont breng je ook voor het eerst sculpturaal werk. Kan je dat toch eens toelichten omdat het ook een één op één relatie heeft met de plek waar het ontstaan is en de plek waar het getoond wordt.

 

S Dat werk of het idee ervoor is er gekomen tijdens de tocht die ik samen met Lali, mijn dochter ondernam richting Compostella. Op die tocht ga je eigenlijk van kathedraal naar kathedraal , van kerk naar kerk, van kapel naar kapel en overal vind je relieken die in prachtige schrijnen zijn gestopt. Ik heb toen het plan opgevat om delen van de Mont Sainte Victoire te mouleren, ik wou al lang iets doen met die plek omdat ze zo’n belangrijke rol speelde in de kunstgeschiedenis. Eerst dacht ik er monolieten van te maken die ik dan zou verzilveren maar de resultaten vielen wat tegen. Hier in het kasteel heb ik ze in was gemaakt omdat ik dat wel een mooi materiaal vond dat perfect aansluit bij het interieur, ’t staat hier vol kaarsen en de tafel waarop ik ze wou plaatsen is waarschijnlijk al duizend maal geboend. Achteraf gezien vind ik het wel mooi dat er door dit materiaal dat in een tiental lagen is aangebracht ook een schilderkunstig aspect bij komt.

 

 

PH Tja, eigenlijk is het ook zo, vaak wordt het landschap verbonden met het sublieme, een notie van onbeschrijflijke schoonheid en op een bepaalde manier vind ik dat in jouw werk een objectivering plaats vindt een soort deconstrueren van het landschap tot verschillende elementen, de tijd, de notie van tijd is iets wat je reeds beschreven hebt maar er is ook een, laat me zeggen een onderzoek naar de complexe relatie naar het idee van de waarneming. Wat betekent waarneming voor u in de relatie van uw werk en tot uw beleving van het landschap?

 

In vroegere werken vertelde ik soms over de horizon, die is voor ieder verschillend en de kapstok om alles aan op te hangen. Als ik bijvoorbeeld tekenles geef wijs ik er de studenten steeds op de horizon als basis te gebruiken. In mijn recentere werken kijk ik eigenlijk door mijn camera. Met de tekeningen hier probeer ik die blik toch weer aan de werkelijkheid te koppelen. Ik fotografeerde vanaf een plek door een kader en nodig de toeschouwer uit vanaf die plek de tekening te bekijken. Ze zijn even groot is als het beeld in de kader. Vroeger kopieerde ik naar schilderijen van Caspar David Friedrich, de landschappen worden er vanaf een afstand in hun volle glorie en met het meest romantische licht getoond. Ik probeer het niet over dat volledige landschap te hebben

maar om het landschap van er middenin te bekijken en er een uitsnit, een fragment of één aspect van te tonen. Er bestaat nog iets dat ik niet toon naast het doek, naast het kader dat ik presenteer.

 

PH. Ja, eigenlijk zeg je nu ook dat je een objectivering zoekt, aan de hand van een notatiesysteem, aan de hand van indelingen in de tijd, het zoeken van de gemiddelde kleur van een bepaald moment zelfs in de manier waarop je tekent. Die nuchterheid of die objectivering zit ook in de titel van de tentoonstelling, één op één verwijzend naar de schaal, verwijzend naar een relatie wat ook aan duidt dat je afstand neemt van de romantische appreciatie van een landschap, van het contempleren van een landschap. Kan je de titel van de tentoonstelling toelichten?

 

S een titel is steeds iets wat bij mij aan het eind van het proces moet gezocht worden, een beetje een noodzakelijk kwaad. Deze keer echter wist ik het al een tijdje en heb ik er ook naartoe gewerkt. Mijn eerste bedoeling was om te vertellen over de ware schaal van de dingen, iets wat ik in eerdere werken, bijvoorbeeld reproducties naar oude meesters al gedaan heb. Ik ben begonnen met de tekeningen en de sculpturen waaraan ik ook 1:1 als titel heb gegeven. Vorig jaar heb ik mijn tentoonstelling in Zürich “New Dialogs” genoemd en ook dat aspect zit in deze titel. Ik ga een dialoog aan met  het kasteel maar ook met de prinsen en met de bezoeker. Naar het eind toe heb ik er ook vormelijk verwijzingen aan toegevoegd. De verschillende ingrepen zijn steeds opgebouwd uit twee gelijkaardige werken. Twee tekeningen , twee sculpturen, twee tafeltjes met beelden van de sterren en dan uiteindelijk de werken in het theater die telkens uit twee plans zijn opgebouwd.

 

PH Een ander element dat in mijn aanvoelen belangrijk is is het feit dat je aan de slag gaat als iemand die inventarissen maakt, bijna als een archeoloog maar een archeoloog die probeert dat vast te leggen wat vluchtig is, wat efemeer is wat niet vast te leggen is met name het verglijden van licht, het verglijden van tijd. Wat is uw relatie met tot het idee van documentatie, wat een principe is dat heel sterk In de conceptuele kunst voorkomt. Als we hier die vitrines zien of de fotoprints of de kleine meer picturale vierkantige diagrammen van kleurtoetsen, een soort accumulatie van een verloop van kleurtoetsen. Wat betekent documentatie voor u?

 

S De archeoloog van het efemere, dat klinkt goed. Documentatie, zo zie ik het niet, ik verwijs graag naar mijn werken als documentair maar niet als documentatie bij iets. Het zijn autonome werken die als je ze samen brengt natuurlijk nog iets extra krijgen. Ik heb

 

PH Daarbij aansluitend, in de titels van het werk zie je vaak een plek, een fysieke plek waar je geweest bent maar maar ook een reeks werken met een plek waar je nog niet geweest bent maar waar je misschien naartoe kan gaan en ook een tijdsaanduiding. Dus opnieuw een registratie van een moment, terwijl je natuurlijk ook het werk in een soort spanning ziet tussen het moment en een tijdloosheid. Hoe ga je om met die notie van tijd, wat eigenlijk een complex begrip is en wat de rode draad doorheen deze tentoonstelling in het kasteel van Chimay kan genoemd worden?

 

 

PH Nu, een tentoonstelling maken in een kasteel dat nog in gebruik is waar een familie in woont en dat geen museum is, dat wel een monument is maar een monument in gebruik, hoe pak je dat aan als kunstenaar?

 

PH Ik voel bijna aan dat in het theater, wat het eindpunt is van de tentoonstelling op één of andere manier. Je hebt een soort slingerbeweging gemaakt die begint bij de vlag en op de zitjes van het theater eindigt. En daar zeg je bijna dat het landschap een absolute illusie is en dat de enige objectivering van het landschap in het werk van de kunstenaar ligt, wat denk je van zo een uitspraak? S Oei, daar ga ik iets langer over moeten nadenken  ……. PH En ik zie dat in rechtstreekse relatie tot uw werk ook he, in een soort beschrijvende methode die je hanteert, daarnet heb je nog zelf gezegd, ik kan niet om met een wit blad papier, ik heb iets nodig dat mij uitdaagt, iets dat me aan het denken zet iets dat me aan het werk zet en waarin dat je dan een objectivering gaat inbouwen.

 

 

…. Petrarca die het landschap bekijkt als autonoom onderwerp.

 

PH En naar wat kijkt Stijn Cole?

S Boer visser vlieger …Ik verleg mijn blik in functie van het werk

 

PH Kan je nog naar het landschap kijken zonder aan uw werk te denken?

 

S Behalve als ik in de stad ben

 

PH Dan is er geen landschap. Is er nog zo een soort sleutelmoment dat je weet van, daar heeft het landschap mij te pakken genomen?

 

Dit is ok

 

PH Misschien tot slot nog even over de werken op de bühne van het theater, van die prachtige bonbonnière eigenlijk. Daar komt ook bijna een theatraal principe naar voor in de manier waarop die werken getoond worden.

 

S

PH Het is precies alsof dat je daar dan iets toepast, dat je daar op scène de landschapsschilder bent die nooit schildert.

 

S Haha, pas op ik schilder wel veel hé, ik kan goed kleuren mengen. Dat is wel zoiets, ik probeer elk medium tot zijn essentie te herleiden, ik gebruik geen goocheldoos. Schilderen voor mij is het ordenen van kleuren, is het mengen van kleuren in olieverf. Tekenen is het aanbrengen van een arcering op papier in één type potlood. Ik gebruik geen 5 materialen op één werk het is de essentie. Nu met die sculpturen ook, ze zijn afgietsels van de werkelijkheid. Eigenlijk gebruik ik al die media enkel en alleen omdat ze geschikt zijn voor het werk dat ik wil maken en in die zin is het niet zo dat ik de landschapsschilder ben die nooit schilder, misschien ben ik helemaal geen schilder.

 

PH Voila!

 

 

   Stijn Cole

 

  EXPO'S  TEXTS  PRESBIO  CONTACT